Job 41:18
Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
20De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
12Zijn ogen zijn als der duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes der ringen.
13Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als lelien, druppende van vloeiende mirre.
14Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.
13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
14De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.
15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
16Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
17Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
32
4En er was een glans als des lichts, Hij had hoornen aan Zijn hand, en aldaar was Zijn sterkte verborgen.
5Voor Zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor Zijn voeten henen.
13Van den glans voor Hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.
3Is er een getal Zijner benden? En over wien staat Zijn licht niet op?
21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;
2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
3Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
4En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken, wanneer van den glans na den regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.
32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp
17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.
18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
17Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen, als de morgenstond zult gij zijn.
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
7Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen;
5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
22De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
14En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs;
9Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.
13Aangaande de gelijkenis der dieren, hun gedaante was als brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen; datzelve vuur ging steeds tussen die dieren; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort.
15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?
30Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
12Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.
15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.