Job 41:17
Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
16Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
17Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand.
9Twee zijn beter dan een; want zij hebben een goede beloning van hun arbeid;
10Want indien zij vallen, de een richt zijn metgezel op; maar wee den ene, die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen.
11Ook, indien twee te zamen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou een alleen warm worden?
12En indien iemand den een mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken.
18Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
8En die twee zullen tot een vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees.
9Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.
5En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn;
6Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.
38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
17Maar die den Heere aanhangt, is een geest met Hem.
29En zij waren van beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan deszelfs oppereinde samengevoegd met een ring; alzo deed hij met die beide, aan de twee hoeken.
9Hun vleugelen waren samengevoegd, de een aan den ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elkeen recht uit voor zijn aangezicht henen.
17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.
17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.
24En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde deszelven samengevoegd zijn, met een ring; alzo zal het met de twee berderen zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn.
31En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot een vonk, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal geen uitblusser wezen.
6De een hielp den ander, en zeide tot zijn metgezel: Wees sterk!
7En de werkmeester versterkte den goudsmid; die met den hamer glad maakt, dien, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.
4Zij maakten samenvoegende schouderbanden daaraan; aan deszelfs beide einden werd hij samengevoegd.
3Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?
43En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.
24Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.
10En hij voegde vijf gordijnen, de ene aan de andere; en hij voegde andere vijf gordijnen, de ene aan de andere.
14Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
3Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere; wederom zullen er vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
5Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.
8Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.
18Hij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de tent samen te voegen, dat zij een ware.
4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
1Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.
6Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;
7Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
17Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
9Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
20Maar nu zijn er wel vele leden, doch maar een lichaam.
13Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.