Psalmen 133:1
Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.
Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aaron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.
3Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.
1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.
2Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!
3Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.
14Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!
1Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.
6Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.
7Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.
8Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
1Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
1Dat de broederlijke liefde blijve.
5Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israel!
3U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.
10Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande.
21Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!
3Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;
11Voorts, broeders, zijt blijde, wordt volmaakt, zijt getroost, zijt eensgezind, leeft in vrede; en de God der liefde en des vredes zal met u zijn.
12Groet elkander met een heiligen kus. U groeten al de heiligen.
6Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten!
32En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
1Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?
6De een hielp den ander, en zeide tot zijn metgezel: Wees sterk!
1Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
1Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente Zijner gunstgenoten.
4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
5De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
8En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;
11Ook, indien twee te zamen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou een alleen warm worden?
1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.
9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
1En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.
44En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;
31Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
2Zo vervult mijn blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde.
1Toen vergaderde zich gans Israel tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
26Wat is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting;
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
7Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen;
15En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
17Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
19Gij huis Israels! looft den HEERE; gij huis Aarons! looft den HEERE.
8Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.
3Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.
9Twee zijn beter dan een; want zij hebben een goede beloning van hun arbeid;
15Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is.