Job 37:8

Statenvertaling (States Bible)

En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 104:22 : 22 De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
  • Job 38:40 : 40

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 38:38-40
    3 verzen
    80%

    38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

    39

    40

  • Ps 104:20-23
    4 verzen
    78%

    20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

    21De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.

    22De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.

    23De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.

  • Job 30:6-7
    2 verzen
    75%

    6Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.

    7Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.

  • Ps 8:7-8
    2 verzen
    75%

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

    8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  • 7Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks.

  • 10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • 9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.

  • 9Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!

  • Job 40:20-21
    2 verzen
    72%

    20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

    21Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?

  • 7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

  • Nah 2:11-12
    2 verzen
    72%

    11Waar is nu de woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte.

    12De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde.

  • 17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.

  • 21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.

  • 8De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.

  • 4Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?

  • 19Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.

  • 18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.

  • 8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

  • 23Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.

  • 14En de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich aldaar nederzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden.

  • 12Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.

  • 19En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven der steenrotsen, en in al de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.

  • 15Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;

  • 18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

  • 25En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.

  • 6Zij zullen te zamen gelaten worden den roofvogelen der bergen, en den dieren der aarde; en de roofvogelen zullen op hen overzomeren, en alle dieren der aarde zullen daarop overwinteren.

  • 28En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.

  • 7De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.

  • 33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp

  • 18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.

  • 18En mijn volk zal in een woonplaats des vredes wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen.

  • 29Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en den roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.

  • 21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • 17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?

  • 7Hij bekende zijn weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en zijn volheid ontzet werd van de stem zijner brulling.

  • 15Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?

  • 13Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.

  • 1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.

  • 30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;

  • 13Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?

  • 17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;