Psalmen 104:20
Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:
Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
22De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
23De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.
24Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.
25Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.
26Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.
27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
12Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
19Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
39
40
9Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!
20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
12Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.
14Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag.
16De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.
7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
12En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.
22Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.
28Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.
16Geeft eer den HEERE, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht, en Hij datzelve tot een schaduw des doods stelle, en tot een donkerheid zette.
11En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.
9In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;
8Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.
5Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!
6Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
16In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet.
17Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw.
2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
13Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;
29Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.
10Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in den nacht?
24En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.
18En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.
20Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.
8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
29Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren.
12Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.
20Zal dan niet des HEEREN dag duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij?
13Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?
14Met het licht staat de moorder op, doodt den arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als een dief.
22Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.
30En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.
10Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.
20Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.