Job 37:21

Statenvertaling (States Bible)

En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 26:9 : 9 Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.
  • Job 36:32 : 32 Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
  • Job 38:25 : 25 Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!

  • Job 22:11-14
    4 verzen
    78%

    11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

    12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.

    13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?

    14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.

  • Job 38:24-25
    2 verzen
    78%

    24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

    25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

  • Job 36:32-33
    2 verzen
    77%

    32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.

    33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp

  • 11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.

  • Job 37:15-18
    4 verzen
    76%

    15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?

    16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?

    17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?

    18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?

  • 2Eer dan de zon, en het licht, en de maan, en de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen.

  • 21De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.

  • 18Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;

  • Job 36:27-30
    4 verzen
    74%

    27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;

    28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.

    29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?

    30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.

  • 4Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien.

  • 20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.

  • 16Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.

  • 16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • Jer 4:11-12
    2 verzen
    72%

    11Te dier tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van den weg der dochter Mijns volks; niet om te wannen, noch om te zuiveren.

    12Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken.

  • 7Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen;

  • 7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.

  • 32

  • 19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

  • 25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.

  • 5Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.

  • 11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.

  • 13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.

  • 9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.

  • 8Met mate hebt Gij met hem getwist, wanneer Gij hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in den dag des oostenwinds.

  • 5Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

  • 38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

  • 3Is er een getal Zijner benden? En over wien staat Zijn licht niet op?

  • 17Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen, als de morgenstond zult gij zijn.

  • Job 26:8-9
    2 verzen
    70%

    8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.

    9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.

  • 21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.

  • 6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.

  • 3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.

  • 26Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;