Psalmen 103:16

Statenvertaling (States Bible)

Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jes 40:7 : 7 Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.
  • Job 20:9 : 9 Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.
  • Gen 5:24 : 24 Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.
  • Job 7:6-9 : 6 Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. 7 Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. 8 Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn. 9 Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen. 10 Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
  • Job 8:18-19 : 18 Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien. 19 Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.
  • Job 14:10 : 10 Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?
  • Job 27:20-21 : 20 Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen. 21 De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 103:14-15
    2 verzen
    85%

    14Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.

    15De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.

  • Jes 40:7-8
    2 verzen
    78%

    7Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.

    8Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.

  • 2Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.

  • 4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

  • Jak 1:10-11
    2 verzen
    75%

    10En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan.

    11Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante haars aanschijns is vergaan; alzo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.

  • Job 6:17-18
    2 verzen
    75%

    17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.

    18De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.

  • Job 14:10-11
    2 verzen
    74%

    10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?

    11De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;

  • Pred 1:4-6
    3 verzen
    74%

    4Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid.

    5Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.

    6Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen.

  • 4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.

  • 12Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het voor alle gras.

  • 24Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;

  • 39En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.

  • Ps 90:5-6
    2 verzen
    74%

    5Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;

    6In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.

  • 17Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;

  • 20Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.

  • 18Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;

  • Job 7:9-10
    2 verzen
    73%

    9Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.

    10Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.

  • 16Dat hij ook alle dagen in duisternis gegeten heeft; en dat hij veel verdriets gehad heeft, ook zijn krankheid, en onstuimigen toorn?

  • 15Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.

  • Job 4:20-21
    2 verzen
    73%

    20Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.

    21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.

  • 21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;

  • 21De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.

  • 25Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.

  • 29Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.

  • 17Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten.

  • 9Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.

  • 36Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.

  • 12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.

  • 11Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.

  • 24Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen.

  • 7Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.

  • 14Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.

  • 7Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;

  • 3Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat; als kaf van den dorsvloer, en als rook uit den schoorsteen wordt weggestormd.

  • 6Ook is alrede hun liefde, ook hun haat, ook hun nijdigheid vergaan; en zij hebben geen deel meer in deze eeuw in alles, wat onder de zon geschiedt.

  • 10Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.

  • 10Ja, ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gans verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.

  • 7En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.

  • 1De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.

  • 15Hetgeen geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is alrede geweest; en God zoekt het weggedrevene.