Job 39:19
Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
22Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?
23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.
24Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.
18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
10Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.
13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
17Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
5Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
10Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.
15Gij betradt met Uw paarden de zee; de geweldige wateren werden een hoop.
9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
9Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.
31Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
35Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?
8Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een arend, zich spoedende om te eten.
15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.
5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?
6De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.
1Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?
2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?
8Was de HEERE ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw verbolgenheid tegen de zee, toen Gij op Uw paarden reedt? Uw wagens waren heil.
19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?
18De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.
3Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.
15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
22Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen zijner machtigen.
4Spant de paarden aan, en klimt op, gij ruiters! en stelt u met helmen; vaagt de spiesen, trekt de pantsiers aan!
26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.
39Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.
18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
16En gij zegt: Neen, maar op paarden zullen wij vlieden; daarom zult gij vlieden! En: Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen uw vervolgers ook snel zijn!
22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
39
5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.
8Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.
25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?