Job 39:26
Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.
28In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.
29Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?
12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
14Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?
11Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;
11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?
15Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden.
7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
15En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
16En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,
17En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;
25Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.
14En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.
13En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;
5Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.
14En de gier, en de kraai, naar haar aard;
41
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?
18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
26Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.
4Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.
39
40Want zo zegt de HEERE: Ziet, hij zal snel vliegen als een arend, en hij zal zijn vleugelen over Moab uitbreiden.
16En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
17En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
18En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
21Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.
9Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;
9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.
33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
14Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.
19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
8Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?
5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
16Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, gij, die woont in de kloven der steenrotsen, die u houdt op de hoogte der heuvelen! Al zoudt gij uw nest zo hoog maken als de arend, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.
5Zal een vogel in den strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen, als men ganselijk niet heeft gevangen?
7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.
1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
7Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.
19De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
3En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene veren had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder.
29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?