Deuteronomium 14:13
En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;
En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,
14En de gier, en de kraai, naar haar aard;
15Elke rave naar haar aard;
16En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
17En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
18En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
19En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
20Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
21Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;
22Van die zult gij deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.
11Allen reinen vogel zult gij eten.
12Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;
14En alle rave naar zijn aard;
15En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
16En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,
17En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;
18En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;
19Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.
20Al het rein gevogelte zult gij eten.
15Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden.
10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.
7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
11Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;
17De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;
26En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.
14Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.
3En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene veren had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder.
9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
33En de dode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels, en het gedierte der aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken.
13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
28Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.
11En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.
17Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.
4Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;
41
11Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer der woestigheid over hen trekken, en een richtlood der ledigheid.
12In hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.
16En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats der as.
12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
17Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.
6Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in enigen boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.
19Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.
9Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogelen zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al gij gedierte des velds, komt om te eten!