Job 28:7

Statenvertaling (States Bible)

De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 11:6 : 6 En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.
  • Job 28:21-23 : 21 Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. 22 Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord. 23 God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
  • Job 38:19 : 19 Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
  • Job 38:24 : 24 Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
  • Rom 11:33 : 33 O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 8De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.

  • Job 28:19-21
    3 verzen
    80%

    19Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.

    20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?

    21Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.

  • 6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.

  • Spr 30:17-19
    3 verzen
    74%

    17Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.

    18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:

    19De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.

  • 5Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.

  • 23God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.

  • 17Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;

  • Job 28:12-17
    6 verzen
    72%

    12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?

    13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.

    14De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.

    15Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.

    16Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.

    17Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.

  • 71%

    8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  • 10In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.

  • 71%

    5Zal een vogel in den strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen, als men ganselijk niet heeft gevangen?

  • 71%

    12Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;

    13En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;

  • Job 39:26-27
    2 verzen
    70%

    26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.

    27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.

  • Job 38:19-20
    2 verzen
    70%

    19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

    20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?

  • 14En de gier, en de kraai, naar haar aard;

  • 15Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden.

  • 14En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.

  • 23Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.

  • Job 22:14-15
    2 verzen
    70%

    14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.

    15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?

  • 9Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.

  • 11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?

  • 8Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.

  • 19Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.

  • 11Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer der woestigheid over hen trekken, en een richtlood der ledigheid.

  • 7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

  • 29Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?

  • 26En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.

  • 1Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.

  • Job 39:13-14
    2 verzen
    69%

    13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

    14Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?

  • 25Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogelen des hemels waren weggevlogen.

  • 21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.

  • 11Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.

  • 6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  • 24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?

  • 33En de dode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels, en het gedierte der aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken.

  • 27Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.