Psalmen 55:6

Statenvertaling (States Bible)

Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Opb 12:14 : 14 En der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.
  • Ps 11:1 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?
  • Ps 139:9 : 9 Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 55:7-8
    2 verzen
    86%

    7Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.

    8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.

  • Jes 38:14-15
    2 verzen
    76%

    14Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.

    15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.

  • Ps 55:4-5
    2 verzen
    75%

    4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

    5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

  • 1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?

  • 9Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;

  • Ps 102:6-7
    2 verzen
    73%

    6Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.

    7Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • 7Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.

  • Job 6:8-9
    2 verzen
    71%

    8Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;

    9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!

  • Ps 120:5-6
    2 verzen
    71%

    5O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.

    6Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.

  • 7Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?

  • 13De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.

  • 4Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand.

  • 8Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?

  • 13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

  • Job 9:26-27
    2 verzen
    70%

    26Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.

    27Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;

  • 3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;

  • Job 10:18-20
    3 verzen
    69%

    18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

    19Ik zou zijn, alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.

    20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;

  • 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • 4En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.

  • 26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.

  • 23Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.

  • 68%

    6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

  • 13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;

  • 8Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.

  • 10En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.

  • 28Verlaat de steden, en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt.

  • 2Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.

  • 52Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.

  • 18En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.

  • 22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.

  • 7Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.

  • 15Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.

  • 7Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.

  • 28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.

  • 4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.

  • 13Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. [ (Psalms 39:14) Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij. ]

  • 16Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.

  • 6Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.