1 Petrus 3:10

Statenvertaling (States Bible)

Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 34:12-16 : 12 Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren. 13 Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? 14 Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken. 15 Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na. 16 Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
  • Jak 1:26 : 26 Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel.
  • Jak 3:1-9 : 1 Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen. 2 Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden. 3 Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om; 4 Ziet ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil. 5 Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt. 6 De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel. 7 Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur. 8 Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn. 9 Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. 10 Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.
  • 1 Petr 2:1 : 1 Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;
  • 1 Petr 2:22 : 22 Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden;
  • Opb 14:5 : 5 En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor den troon van God.
  • Joh 1:47 : 47 En Nathanael zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Kom en zie.
  • Joh 12:25 : 25 Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.
  • Spr 3:2 : 2 Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
  • Spr 3:18 : 18 Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.
  • Spr 4:22 : 22 Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
  • Spr 8:35 : 35 Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
  • Pred 2:3 : 3 Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vlees op te houden in den wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat den kinderen der mensen het best ware, dat zij doen zouden onder den hemel, gedurende het getal der dagen huns levens.
  • Matt 13:16-17 : 16 Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen. 17 Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben ze niet gezien; en te horen de dingen, die gij hoort, en hebben ze niet gehoord.
  • Matt 19:17 : 17 En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.
  • Marc 8:35 : 35 Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en om des Evangelies wil, die zal hetzelve behouden.
  • Ps 49:19 : 19 Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;
  • Ps 106:5 : 5 Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.
  • Deut 32:47 : 47 Want dat is geen vergeefs woord voor ulieden; maar het is uw leven; en door ditzelve woord zult gij de dagen verlengen op het land, waar gij over de Jordaan naar toe gaat, om dat te erven.
  • Job 2:4 : 4 Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.
  • Job 7:7-8 : 7 Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. 8 Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.
  • Job 9:25 : 25 En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.
  • Job 33:28 : 28 Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.
  • Ps 27:13 : 13 Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 34:12-14
    3 verzen
    86%

    12Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.

    13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

    14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.

  • 85%

    11Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.

    12Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen.

    13En wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?

  • 9Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beerven.

  • 3Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;

  • 20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.

  • 23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.

  • Spr 10:18-19
    2 verzen
    74%

    18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

    19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

  • 3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

  • 74%

    16En hebt een goed geweten, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goeden wandel in Christus lasteren.

    17Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.

  • 4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.

  • Spr 13:2-3
    2 verzen
    73%

    2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.

    3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.

  • 2Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensen.

  • 8Het woord gezond en onverwerpelijk, opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde, en niets kwaads hebbe van ulieden te zeggen.

  • 29Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen.

  • 1Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;

  • 4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!

  • 24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

  • 27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.

  • 15Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.

  • 13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

  • 11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

  • 22Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden;

  • 10Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.

  • 31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

  • Spr 3:29-30
    2 verzen
    71%

    29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.

    30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.

  • 7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

  • 21Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.

  • 2Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.

  • 8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.

  • 8Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn.

  • 18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.

  • 16Dat dan uw goed niet gelasterd worde.

  • 18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.

  • 4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.

  • 3Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.

  • 14Zoekt het goede, en niet het boze, opdat gij leeft; en alzo zal de HEERE, de God der heirscharen, met ulieden zijn, gelijk als gij zegt.

  • 27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.

  • 12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;

  • 19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

  • 3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.

  • 12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,