Spreuken 3:2
Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
22Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
3Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.
11Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.
3Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.
14En zo gij in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen.
6Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
21Opdat uw dagen, en de dagen uwer kinderen, in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen, gelijk de dagen des hemels op de aarde.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
9Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
40En gij zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE, uw God, u geeft, voor altoos.
2Opdat gij den HEERE, uw God, vrezet, om te houden al Zijn inzettingen, en Zijn geboden, die ik u gebiede; gij, en uw kind, en kindskind, al de dagen uws levens; en opdat uw dagen verlengd worden.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
12Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
2Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
3Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.
20Liefhebbende den HEERE, uw God, Zijner stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij is uw leven en de lengte uwer dagen; opdat gij blijft in het land, dat de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven.
4Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.
16Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
12Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
10Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
5De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
6En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!
27De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort.