Job 22:21
Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
23Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.
23Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.
24En gij zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en gij zult uw woning verzorgen, en zult niet feilen.
6En zult alzo zeggen tot dien welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat gij hebt, zij vrede!
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
19Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.
20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
21Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.
3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
5Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.
7Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.
25Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;
26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
7Indien hij aldus zegt: Het is goed, zo heeft uw knecht vrede; maar indien hij gans ontstoken is, zo weet, dat het kwaad bij hem ten volle besloten is.
18En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen;
19En gij zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken.
24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
8Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
2Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
20Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
11De HEERE zeide: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn; zo Ik niet, in de tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand voor u tussenkome!
2Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
6Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.
21Tegen den gesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt.
20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.
7Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.
27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
20Toen zeide de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleenlijk vernacht niet op de straat.