Spreuken 16:7
Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.
Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
17Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
7De HEERE zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden.
11De HEERE zeide: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn; zo Ik niet, in de tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand voor u tussenkome!
4HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;
8Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn wederpartijen zie.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
37Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.
7Indien hij aldus zegt: Het is goed, zo heeft uw knecht vrede; maar indien hij gans ontstoken is, zo weet, dat het kwaad bij hem ten volle besloten is.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
7Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.
4En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.
8Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
18Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.
4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
26Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.
3Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.
5Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
15In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.
3In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!
11De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.
2Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige; de HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
11Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.
11Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.
18En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken.
29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
11HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.
27Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!
12Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.
5Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.
26Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren; bij den oprechten held houdt Gij U oprecht.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
11Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.
10Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.