1 Petrus 3:11
Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.
Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
9Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beerven.
10Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;
27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
14Zoekt het goede, en niet het boze, opdat gij leeft; en alzo zal de HEERE, de God der heirscharen, met ulieden zijn, gelijk als gij zegt.
12Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen.
13En wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?
19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.
11Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
15Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
17Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.
11Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
22Onthoudt u van allen schijn des kwaads.
21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.
19En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.
20Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.
23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
14Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.
16Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
22Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die den Heere aanroepen uit een rein hart.
11Maar gij, o mens Gods, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid.
19Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
14Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
3Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
15Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het gewin der onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;
21Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.