Spreuken 16:8
Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
16Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.
17Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.
4Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.
5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
18Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
19Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.
20Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
10Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig.
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.
6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.
6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.
20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
22De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd.
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
31Ziet, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer den goddeloze en zondaar!
3Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
7Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.
18De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
10Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.
1Een bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.
23De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.
11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
26Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.
21De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.
8Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk gij zijt, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
16Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt de HEERE.
34Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natien.
8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
15Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.