Spreuken 16:25
Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
13Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
10De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
26Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, en sterft in dezelve, hij zal in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, sterven.
8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
15Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.
16Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
4Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.
5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
18Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
36Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.
6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.