Spreuken 25:7

Statenvertaling (States Bible)

Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Luk 14:7-9 : 7 En Hij zeide tot de genoden een gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen: 8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij; 9 En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden. 10 Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten. 11 Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
  • Luk 18:14 : 14 Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
  • 1 Petr 5:5 : 5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
  • Opb 4:1 : 1 Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.
  • Spr 16:19 : 19 Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;

  • 8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

  • Luk 14:7-11
    5 verzen
    77%

    7En Hij zeide tot de genoden een gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:

    8Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij;

    9En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.

    10Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.

    11Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.

  • 18Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw ganse hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald.

  • Pred 10:6-7
    2 verzen
    74%

    6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.

    7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.

  • 10Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.

  • 29Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.

  • 19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.

  • Ps 118:8-9
    2 verzen
    72%

    8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.

    9Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.

  • 12En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.

  • 7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.

  • 1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.

  • 23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.

  • 10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!

  • 2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.

  • 29Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.

  • 11En nu, pak u weg naar uw plaats! Ik had gezegd, dat ik u hoog vereren zou; maar zie, de HEERE heeft u die eer van u geweerd!

  • 2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.

  • 8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.

  • Pred 8:2-3
    2 verzen
    71%

    2Ik zeg: Neem acht op de mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.

    3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.

  • 5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.

  • 17Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij.

  • 8Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.

  • 10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.

  • 15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.

  • 4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.

  • 7Zo sta nu op, ga uit, en spreek naar het hart uwer knechten; want ik zweer bij den HEERE, als gij niet uitgaat, zo er een man dezen nacht bij u zal vernachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe.

  • 1Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is.

  • 9Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.

  • 1Alzo zegt de HEERE: Ga af in het huis des konings van Juda, en spreek aldaar dit woord.

  • 21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.

  • 28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.

  • 13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.

  • 3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.

  • 18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.

  • 15Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.

  • 10Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.

  • 25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.

  • 19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.

  • 11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?

  • 3Zo ziet naar den beste en gerechtigste van de zonen uws heren, zet dien op zijns vaders troon; en strijdt voor het huis uws heren.

  • 5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.

  • 9Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid.