Spreuken 12:9

Statenvertaling (States Bible)

Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Luk 14:11 : 11 Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
  • Spr 13:7 : 7 Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.

  • 75%

    11Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.

    12En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.

  • 19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.

  • Luk 14:9-11
    3 verzen
    73%

    9En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.

    10Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.

    11Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.

  • 23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.

  • 16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.

  • 9Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid.

  • 31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.

  • 5Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.

  • 21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.

  • 2Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.

  • 12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.

  • Pred 10:6-7
    2 verzen
    71%

    6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.

    7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.

  • 12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.

  • 18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.

  • 1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

  • 9Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.

  • 11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.

  • 6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.

  • 35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.

  • 7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.

  • 10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!

  • 19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.

  • 9En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:

  • 7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.

  • Spr 12:10-11
    2 verzen
    70%

    10De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.

    11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.

  • 22De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.

  • 21Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.

  • 2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.

  • 30Daarom spreekt de HEERE, de God Israels: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de HEERE: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.

  • 21De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.

  • 30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;

  • 27Want wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u, als een die dient.

  • 2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.

  • 12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.

  • 22Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;

  • 34Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.

  • 13Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;

  • 4In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;

  • 9Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.

  • 8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.

  • 18Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geeerd worden.

  • 4En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.