Spreuken 15:30
Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
25Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.
30Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
11Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
8De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.
15En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
7Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen;
34De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.
9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
15Al de dagen des bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een gedurige maaltijd.
16Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
15Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
22De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;
8Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
3Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
9Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.
15In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
13Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.
11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
9Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
20
7Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.
24De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.
16Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.
29De HEERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren.
42De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
6Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
17Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.
18Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
13De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
25Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.
12De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.
21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.