Spreuken 16:15
In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
12Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.
35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.
28Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.
5Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.
11Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.
9Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
13Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel.
14Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.
15Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.
4En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken, wanneer van den glans na den regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.
7Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen;
30Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
1Ziet, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.
2En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.
23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.
16Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.
13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
6Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.
2Eer dan de zon, en het licht, en de maan, en de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen.
7Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
15En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
4Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.
31De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.
1Begeert van den HEERE regen, ten tijde des spaden regens; de HEERE maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld.
6Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?
16Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
25Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.
2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.
35Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.