Spreuken 16:31
De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.
De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
28Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.
29Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid.
6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
32Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de HEERE!
6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
6Doe dan naar uw wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.
21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
4En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
15In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
41En zo van de zijde zijns aangezichts het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein.
42Maar zo in de kaalheid, of in de blesse, een witte roodachtige plaag is, dat is melaatsheid, uitbottende in zijn kaalheid, of in zijn blesse.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
34Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natien.
35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.
30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.
9Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!