Job 15:10

Statenvertaling (States Bible)

Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 32:6-7 : 6 Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen. 7 Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
  • Spr 16:31 : 31 De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.
  • Deut 32:7 : 7 Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.
  • Job 8:8-9 : 8 Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen. 9 Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn. 10 Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
  • Job 12:12 : 12 In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
  • Job 12:20 : 20 Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 15:8-9
    2 verzen
    83%

    8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

    9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?

  • 11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?

  • Job 12:12-13
    2 verzen
    76%

    12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.

    13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.

  • 7Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.

  • Job 30:1-2
    2 verzen
    73%

    1Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.

    2Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.

  • 29Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid.

  • 15Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting.

  • 18Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;

  • 9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.

  • Job 8:8-9
    2 verzen
    72%

    8Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.

    9Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.

  • 5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?

  • 6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.

  • 3Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.

  • Ps 90:9-12
    4 verzen
    70%

    9Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

    10Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.

    11Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?

    12Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.

  • 27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.

  • 9Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet.

  • 31De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.

  • 1Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

  • 1Bestraf een ouden man niet hardelijk, maar vermaan hem als een vader; de jonge als broeders;

  • 10En de jongelingen die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken heeft, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.

  • Job 12:2-3
    2 verzen
    69%

    2Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!

    3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?

  • 32Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de HEERE!

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.

  • 2Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude;

  • 18Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.

  • 22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.

  • 13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.

  • 6Doe dan naar uw wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.

  • 10Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.

  • 31Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.

  • 10Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;

  • 20Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.

  • 6Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.

  • 8De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.

  • 21Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.

  • 4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;

  • 29Indien gij nu deze ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt gij mijn grauwe haren met jammer ten grave doen nederdalen!

  • 15Maar met dengene, die heden hier bij ons voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, staat; en met dengene, die hier heden bij ons niet is.

  • 14Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!

  • 5Uw vaderen, waar zijn die? En de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven?