Job 12:2
Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!
Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Maar Job antwoordde en zeide:
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.
12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.
16Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
10Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
7Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
10Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.
2Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
21Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.
20En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
10Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.
23Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
15Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
17En Job stierf, oud en der dagen zat.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
12Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen.
9De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?
8Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen?
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?
3Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.
10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?