Job 4:21

Statenvertaling (States Bible)

Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 36:12 : 12 Maar zo zij niet horen, zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven den geest zonder kennis.
  • Job 8:22 : 22 Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent der goddelozen zal niet meer zijn.
  • Luk 16:22-23 : 22 En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot van Abraham. 23 En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.
  • Jak 1:11 : 11 Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante haars aanschijns is vergaan; alzo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.
  • Job 18:21 : 21 Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.
  • Ps 39:5 : 5 HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.
  • Ps 39:11 : 11 Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.
  • Ps 49:14 : 14 Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.
  • Ps 49:20 : 20 Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]
  • Ps 146:3-4 : 3 Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is. 4 Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.
  • Jes 2:22 : 22 Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?
  • Jes 14:16 : 16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
  • Luk 12:20 : 20 Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 4:19-20
    2 verzen
    84%

    19Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.

    20Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.

  • 13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

  • 4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.

  • 20In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.

  • Job 6:17-18
    2 verzen
    74%

    17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.

    18De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.

  • 12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.

  • Job 21:21-23
    3 verzen
    73%

    21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?

    22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?

    23Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;

  • 10Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.

  • 24Zij zijn een weinig tijds verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden nedergedrukt; gelijk alle anderen worden zij besloten; en gelijk de top ener aar worden zij afgesneden.

  • 2Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!

  • 14Hun ziel zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens.

  • 7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?

  • 20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?

  • Job 14:10-11
    2 verzen
    72%

    10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?

    11De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;

  • 16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.

  • 2Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.

  • 16Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?

  • 16Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.

  • 21Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.

  • Job 28:12-13
    2 verzen
    71%

    12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?

    13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.

  • 12Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het voor alle gras.

  • 18Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;

  • 23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.

  • 9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.

  • 6In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.

  • 4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.

  • 7Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij?

  • 14Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.

  • 19Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

  • 22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.

  • 1Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?

  • 1De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.

  • Pred 9:5-6
    2 verzen
    70%

    5Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.

    6Ook is alrede hun liefde, ook hun haat, ook hun nijdigheid vergaan; en zij hebben geen deel meer in deze eeuw in alles, wat onder de zon geschiedt.

  • 18Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.

  • 4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

  • 21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;

  • 24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?

  • 20Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.

  • 11Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante haars aanschijns is vergaan; alzo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.

  • 26Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.

  • 20Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]

  • 22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.

  • 11Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten.