Job 12:20

Statenvertaling (States Bible)

Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 32:9 : 9 De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
  • Job 17:4 : 4 Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.
  • Job 12:24 : 24 Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
  • Job 39:17 : 17 Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
  • Spr 10:21 : 21 De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
  • Spr 12:19 : 19 Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik.
  • Spr 12:22 : 22 Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.
  • Jes 3:1-3 : 1 Want ziet, de Heere, HEERE der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods, en allen stok des waters; 2 Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude; 3 Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 12:12-19
    8 verzen
    83%

    12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.

    13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.

    14Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.

    15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

    16Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.

    17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,

    18Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.

    19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.

  • Job 12:21-25
    5 verzen
    83%

    21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.

    22Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.

    23Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.

    24Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

    25Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.

  • Job 5:12-13
    2 verzen
    72%

    12Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.

    13Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.

  • 40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

  • 12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

  • 12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.

  • 22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.

  • Job 14:19-20
    2 verzen
    71%

    19De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.

    20Gij overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gelaat, zo zendt Gij hem weg.

  • 20In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.

  • Job 34:24-25
    2 verzen
    71%

    24Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.

    25Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.

  • 11Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.

  • 21Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;

  • 20Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.

  • 5Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;

  • 14Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen.

  • 2Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.

  • 4Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.

  • 23Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.

  • 22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.

  • 30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.

  • 2Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.

  • 4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.

  • 8Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.

  • 70%

    9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.

  • 17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;

  • 21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.

  • 12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.

  • 9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.

  • 8Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de HEERE, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan?

  • 26Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.

  • 10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?

  • 7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.

  • 23Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.

  • 2Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude;

  • 2Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen Mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!

  • 12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.