Psalmen 49:20
Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]
Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9(Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);
10Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.
11Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.
12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.
13De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.
14Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
19Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;
18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.
19Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.
20Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.
21Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?
21Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.
8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?
4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
12Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is.
17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;
20Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.
21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.
7Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij?
22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
15Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?
4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.
2Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
16Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?
12Maar dezen, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren, hetgeen zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden;
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
22Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?
48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
9Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.
10De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
29O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
20Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,