Psalmen 37:30
Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
30De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
8Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
29De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
9Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
6De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.
17Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.
18Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
42De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
7Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen;
12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
13In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
15Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.
7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.