Spreuken 12:13
In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.
In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.
5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
6De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.
7De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.
6In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.
8De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats.
9De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.
5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
6De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
21Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.
22Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.
5De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.
6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
18De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
2Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
10Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
8Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.
26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
16Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.
10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
18De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.
21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.
32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.