Spreuken 31:9

Statenvertaling (States Bible)

Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jes 1:17 : 17 Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.
  • Lev 19:15 : 15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
  • Deut 1:16 : 16 En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broederen, en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling.
  • Job 29:15-16 : 15 Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten. 16 Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.
  • Jer 22:15-16 : 15 Zoudt gij regeren, omdat gij u mengt met den ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wel? 16 Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt de HEERE.
  • Jer 23:5 : 5 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
  • Dan 4:27 : 27 Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheid door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen.
  • Am 5:11-12 : 11 Daarom, omdat gij den arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt gij wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenste wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken. 12 Want Ik weet, dat uw overtredingen menigvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen den rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de nooddruftigen in de poort.
  • Zach 7:9 : 9 Alzo sprak de HEERE der heirscharen, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden, de een aan den ander;
  • Zach 9:9 : 9 Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.
  • Joh 7:24 : 24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.
  • Heb 1:9 : 9 Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie der vreugde boven Uw medegenoten.
  • Opb 19:11 : 11 En ik zag den hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.
  • Ps 58:1-2 : 1 Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth. 2 Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen?
  • Ps 72:1-2 : 1 Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings. 2 Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
  • Spr 16:12 : 12 Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
  • Spr 20:8 : 8 Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.
  • Deut 16:18-20 : 18 Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid. 19 Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen. 20 Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
  • 2 Sam 8:15 : 15 Alzo regeerde David over gans Israel, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid.
  • Job 29:12 : 12 Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.
  • Jes 1:23 : 23 Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft de geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; den wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet.
  • Jes 11:4 : 4 Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden.
  • Jes 32:1-2 : 1 Ziet, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht. 2 En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.
  • Jer 5:28 : 28 Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet.
  • Jer 22:3 : 3 Zo zegt de HEERE: Doet recht en gerechtigheid, en redt den beroofde uit de hand des verdrukkers; en onderdrukt den vreemdeling niet, den wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 8Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.

  • Ps 82:3-4
    2 verzen
    82%

    3Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.

    4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

  • 6Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.

  • 2Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen Mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!

  • 16Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt de HEERE.

  • 7De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.

  • 2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.

  • 17Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.

  • Spr 22:22-23
    2 verzen
    76%

    22Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.

    23Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.

  • 12Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.

  • 14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.

  • 30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.

  • Job 5:15-16
    2 verzen
    74%

    15Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.

    16Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.

  • 12Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.

  • 13Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.

  • 4Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.

  • 18Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.

  • 31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.

  • 1Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken, en den onrechtvaardige verdoemen.

  • 15Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.

  • 3Zo zegt de HEERE: Doet recht en gerechtigheid, en redt den beroofde uit de hand des verdrukkers; en onderdrukt den vreemdeling niet, den wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.

  • 26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.

  • 16Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.

  • 31Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.

  • 3Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.

  • 28Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet.

  • 11Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land.

  • 6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.

  • 13De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.

  • 5Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?

  • 9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.

  • 31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

  • 20Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.

  • 19Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.

  • 72%

    4Hoort dit, gij, die den nooddruftige opslokt! en dat om te vernielen de ellendigen des lands;

  • 16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;

  • 3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.

  • 12Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.

  • 71%

    8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.

  • 11Want hun Verlosser is sterk; Die zal hun twistzaak tegen u twisten.

  • 71%

    8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.

  • 25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?

  • 8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.

  • 4Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden.

  • 7Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.