Psalmen 51:8
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.
7Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.
9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
10Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.
12Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.
2O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
22Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
10Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
11Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
2Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.
5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.
21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.
22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.
17Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.
18Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.
18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.
28Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
2Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
22Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!
20Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.
14Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want Gij zijt mijn Lof.
16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.
30Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
9Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
26Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
8Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.
3Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.
15Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.
3Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.
7Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.
13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
9Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.
4Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.
21Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.
17Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.
3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
4De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.
6Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?