Psalmen 119:24
Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.
Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
23Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
99Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
46Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
36Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.
125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
19Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.
24Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
54Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
59Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
138Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.
50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
7Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.
8Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
31Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.
114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
152Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.