Psalmen 119:72
De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
70Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.
71Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
99Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
3Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;
68Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
12Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.
19Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
6Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
164Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.
10O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
8Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.