Psalmen 119:71
Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
68Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
70Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.
72De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
75Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
51De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
12Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,
18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
54Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
1Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;
2Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.
39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
28Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
17O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.
80Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.