Psalmen 63:5
Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.
Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;
4Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.
22Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!
23Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.
6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.
7Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.
8Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.
1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.
2Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
8Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
14En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.
1Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda.
33Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
34Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
1Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
2Aleph. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.
15Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
26Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
9Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.
21Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.
25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
26Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.
9Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
9Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
4En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!
8Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.
17Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.
6Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.
12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [ (Psalms 30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ]
12Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;
4Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, HEERE! verhef ik mijn ziel.
28Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
25Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.
1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
14Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
19Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.
2Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.
30Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
14Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken.
7Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.
18Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.