Psalmen 66:17
Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.
Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.
14Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
1Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.
16Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
1Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
8Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
6Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
4Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.
18Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.
19Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.
1Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
8Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?
6De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
1Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
2Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
7Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.
3Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
2Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
23Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.
21Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.
5Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
28Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
7Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.
3En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.
16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.
1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.
1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.
7Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.
12Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
56Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
1Davids psalm, voor den opperzangmeester.
10Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
17Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.