Psalmen 138:4
Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.
10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.
11Caph. Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken.
4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
12Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!
15Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
21Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.
1Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.
2Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.
3Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
1Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
27De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
4Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.
8Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.
6Vau. En zij zullen vermelden de kracht Uwer vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
3Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israels, psalmzingen.
9Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.
1Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!
11Uw, o HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in den hemel en op aarde is, is Uw: Uw, o HEERE, is het Koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
4En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
28Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.
12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [ (Psalms 30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ]
34Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
11Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.
16Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
17Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.
6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
1Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!
6Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!
1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
7Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
4Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!