Psalmen 47:7
Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
8Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
2Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.
7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
1De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.
4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.
5Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs,
6Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.
12Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
1Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.
4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
3Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
1Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.
2Dient den HEERE met blijdschap, komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang.
1Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente Zijner gunstgenoten.
2Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
3Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israels, psalmzingen.
31Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.
4Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.
1Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt de HEERE, gij ganse aarde!
1De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.
5Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
1Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!
2Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!
5Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.
9Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.
10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.
7De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.
16De HEERE is Koning eeuwiglijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land.
11Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. [ (Psalms 57:12) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde. ]
5Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
3Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
4Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.
1Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.
10Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.
3Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.
28Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
2Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.
19De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.