Psalmen 81:1
Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.
Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.
3Heft een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit.
4Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.
1Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.
5Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs,
6Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.
1Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.
2Dient den HEERE met blijdschap, komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang.
1Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.
2Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.
5Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.
6God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
7Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.
1Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
2Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
3Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
8Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
9Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.
1Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente Zijner gunstgenoten.
2Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
3Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.
4Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.
1Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt de HEERE, gij ganse aarde!
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
3Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!
4Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel!
5Looft Hem met hel klinkende cimbalen; looft Hem met cimbalen van vreugdegeluid!
3Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.
2Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.
9Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderwerken.
7Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel.
12Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.
13Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen. [ (Psalms 21:14) Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven. ]
7De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.
16En David zeide tot de oversten der Levieten, dat zij hun broeders, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap.
1Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
8En David en gans Israel speelden voor het aangezicht Gods met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en met trompetten.
3Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
4Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.
7Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;
5Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op den HEERE, zijn God is;
1Een psalm, een lied, op den sabbatdag.