1 Kronieken 16:31
Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.
Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.
10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.
11Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.
12Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen.
13Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.
1De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.
32Dat de zee bruise met haar volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is.
33Dan zullen de bomen des wouds juichen voor het aangezicht des HEEREN, omdat Hij komt, om de aarde te richten.
30Schrikt voor Zijn aangezicht, gij, gehele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde.
1De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.
1De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.
31De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.
27Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats.
8Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
6En ik hoorde als een stem ener grote schare, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst.
4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.
6Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.
7De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.
8Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,
16Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
16De HEERE is Koning eeuwiglijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land.
1Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
2Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
3Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
6De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.
1Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.
11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
19De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.
23Zingt den HEERE, gij, ganse aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
24Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
10Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; dat zich het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde.
28Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
18De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!
1Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
2Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.
36Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zeide: Amen! en het loofde den HEERE.
8Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
7De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.
34Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
3Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.
1Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
16Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
15En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
1En na dezen hoorde ik als een grote stem ener grote schare in den hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij den Heere, onzen God.