Psalmen 69:34
Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!
1Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
2Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!
3Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!
4Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!
5Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.
31Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.
32Dat de zee bruise met haar volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is.
11Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
7De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.
8Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,
7Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!
5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
33De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
1Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!
2Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!
10Zingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners.
8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
6Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeen en alle afgronden.
10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.
4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
6Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid.
8Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
35Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.
12Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
13Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.
1Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!
4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.
30Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.
31Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
32En Hem verhogen in de gemeente des volks, en in het gestoelte der oudsten Hem roemen.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
21Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.
1Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
14Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid des HEEREN zullen zij juichen van de zee af.
22Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!
10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
1Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
1Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!
6De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.
24En als dezen dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heere! Gij zijt de God, Die gemaakt hebt den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelve zijn.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
19Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;