Spreuken 17:14
Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.
Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
20Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.
21De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.
1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.
15Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.
19Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
33Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
18Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen.
19Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.
17De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.
18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
16Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
12Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
23En verwerp de vragen, die dwaas en zonder lering zijn, wetende, dat zij twistingen voortbrengen.
9Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.
14Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
24Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
11Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
14Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.
26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.