Spreuken 27:15
Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.
Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.
14Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.
16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.
23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.
24Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
19Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.
20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
9Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
14Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.
11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
14Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.
13Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
23Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
21De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.
7Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht.
26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.
3Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.
29Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen?
11Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?
16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
14De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.
5Nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.
3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
30Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
4Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.
16Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!