Spreuken 27:14

Statenvertaling (States Bible)

Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 2 Sam 15:2-7 : 2 Ook maakte zich Absalom des morgens vroeg op, en stond aan de zijde van den weg der poort. En het geschiedde, dat Absalom allen man, die een geschil had, om tot den koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zeide: Uit welke stad zijt gij? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit een der stammen Israels; 3 Zo zeide Absalom tot hem: Zie, uw zaken zijn goed en recht; maar gij hebt geen verhoorder van des konings wege. 4 Voorts zeide Absalom: Och, dat men mij ten rechter stelde in het land! Dat alle man tot mij kwame, die een geschil of rechtzaak heeft, dat ik hem recht sprake. 5 Het geschiedde ook, als iemand naderde, om zich voor hem te buigen, zo reikte hij zijn hand uit, en greep hem, en kuste hem. 6 En naar die wijze deed Absalom aan gans Israel, die tot den koning ten gerichte kwamen. Alzo stal Absalom het hart der mannen van Israel. 7 Ten einde nu van veertig jaren is het geschied, dat Absalom tot den koning zeide: Laat mij toch heengaan, en mijn gelofte, die ik den HEERE beloofd heb, te Hebron betalen.
  • 2 Sam 16:16-19 : 16 En het geschiedde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zeide: De koning leve, de koning leve! 17 Maar Absalom zeide tot Husai: Is dit uw weldadigheid aan uw vriend? Waarom zijt gij niet met uw vriend getogen? 18 En Husai zeide tot Absalom: Neen, maar welken de HEERE verkiest, en al dit volk, en alle mannen van Israel, diens zal ik zijn, en bij hem zal ik blijven. 19 En ten andere, wien zou ik dienen? Zou het niet zijn voor het aangezicht zijns zoons? Gelijk als ik voor het aangezicht uws vaders gediend heb, alzo zal ik voor uw aangezicht zijn.
  • Hand 12:22-23 : 22 En het volk riep hem toe: Een stem Gods, en niet eens mensen! 23 En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 15Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.

  • 8Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;

  • Spr 17:17-18
    2 verzen
    70%

    17Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

    18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.

  • 17Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.

  • 24Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.

  • Spr 24:24-25
    2 verzen
    69%

    24Die tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn.

    25Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.

  • 24Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgene verslaat! En al het volk zal zeggen: Amen.

  • Spr 30:10-11
    2 verzen
    69%

    10Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.

    11Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;

  • 69%

    16Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen.

    17Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.

    18Vervloekt zij, die een blinde op den weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen.

    19Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.

  • Jak 3:9-10
    2 verzen
    69%

    9Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.

    10Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.

  • 20Vloek den koning niet, zelfs in uw gedachten, en vloek den rijke niet in het binnenste uwer slaapkamer; want het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven.

  • 24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;

  • Spr 20:20-21
    2 verzen
    69%

    20Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.

    21Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.

  • 27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.

  • 21Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt.

  • 20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.

  • 26Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk; maar de zegening zal zijn over het hoofd des verkopers.

  • 13Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.

  • Jer 20:15-16
    2 verzen
    68%

    15Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks!

    16Ja, dezelve man zij, als de steden, die de HEERE heeft omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd een geschrei.

  • Spr 27:1-2
    2 verzen
    68%

    1Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.

    2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.

  • 15En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen.

  • 22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.

  • Spr 27:9-10
    2 verzen
    68%

    9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.

    10Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.

  • 24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.

  • 22Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.

  • 11Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!

  • 17Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.

  • 28Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.

  • 19En het geschiede, als hij de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot den dorstige.

  • 28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

  • 11Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.

  • 14Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.

  • 14Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.

  • 23Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.

  • 5Die met vleiing den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten.

  • 16Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld.

  • 6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

  • 17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • 18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.