Spreuken 31:30
Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
25Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
28Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:
29Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
10Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
11Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.
12Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.
13Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.
14He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.
15Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
16Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.
17Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
18Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
4Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.
15Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.
16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.
3Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken;
4Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God.
5Want alzo versierden zichzelven eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig;
22Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE.
26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
20Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.
21Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
22Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.
11Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.
23Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
14Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.
1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.
9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
10Maar (hetwelk de vrouwen betaamt, die de godvruchtigheid belijden) door goede werken.
20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
10Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?
17Want deze daad der koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zodat zij haar mannen verachten zullen in haar ogen, als men zeggen zal: De koning Ahasveros zeide, dat men de koningin Vasthi voor zijn aangezicht brengen zou; maar zij kwam niet.
56Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen den man haars schoots, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;