Spreuken 5:9
Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;
11En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
17Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.
18Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
3Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;
9Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;
10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!
11Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.
32O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.
2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
30Gij zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult gij planten, maar dien niet gemeen maken.
33Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
9Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;
10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.
29Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.
16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.
9Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads.
10Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt gij gezondigd tegen uw ziel.
28Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.
5Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
15Opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, gij van hun offerande etet.
29Gij zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld worde.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
13Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.
18En gij zult geen overspel doen.
33Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.
17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?
31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.