Spreuken 31:3

Statenvertaling (States Bible)

Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Neh 13:26 : 26 Heeft niet Salomo, de koning van Israel, daarin gezondigd, hoewel er onder vele heidenen geen koning was, gelijk hij, en hij zijn God lief was, en God hem ten koning over gans Israel gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen.
  • Deut 17:17 : 17 Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.
  • Spr 5:9-9 : 9 Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede; 10 Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden; 11 En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;
  • Spr 7:26-27 : 26 Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele. 27 Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
  • Hos 4:11 : 11 Hoererij, en wijn, en most neemt het hart weg.
  • 1 Kon 11:1 : 1 En de koning Salomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat benevens de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 31:4-5
    2 verzen
    81%

    4Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;

    5Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.

  • 25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.

  • Spr 5:8-10
    3 verzen
    75%

    8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

    9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;

    10Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;

  • Spr 31:1-2
    2 verzen
    75%

    1De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.

    2Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?

  • Spr 6:24-26
    3 verzen
    73%

    24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.

    25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.

    26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.

  • Spr 31:30-31
    2 verzen
    71%

    30Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.

    31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.

  • 20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?

  • 5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.

  • 15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

  • 26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.

  • 3Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.

  • 16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.

  • 6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.

  • 33Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.

  • 12Zo zult gij nu uw dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren niet nemen voor uw zonen, en zult hun vrede en hun best niet zoeken, tot in eeuwigheid; opdat gij sterk wordt, en het goede des lands eet, en uw kinderen doet erven tot in eeuwigheid.

  • 6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;

  • 16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;

  • 17Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.

  • 5Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.

  • Spr 4:14-15
    2 verzen
    69%

    14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.

    15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.

  • 10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!

  • 17Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.

  • 3Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.

  • 21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.

  • 29Gij zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld worde.

  • 4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.

  • 12De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in.

  • 10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;

  • 32O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.

  • 16Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;

  • 19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?

  • 17Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.

  • 6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  • 11Hoererij, en wijn, en most neemt het hart weg.

  • 28Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.

  • 31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.

  • 3Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.

  • 27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.

  • 25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

  • 19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;

  • 2Gij zult u geen vrouw nemen, en gij zult geen zonen noch dochteren hebben in deze plaats.