Spreuken 27:19
Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.
Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.
18Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geeerd worden.
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
7Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;
20De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.
21De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
1Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid der mensen verlicht zijn aangezicht, en de stuursheid zijns aangezichts wordt daardoor veranderd.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
23Want zo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel;
24Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was.
9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
19Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; gelijk als hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden:
20Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
11Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?
13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
25Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.
26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
16Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?
19Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
29Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
22De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
26Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.
15In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
35De goede mens brengt goede dingen voort uit den goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.
45De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
2En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.
26Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.
25Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.
3Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.
20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.
7Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;
8Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!
3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
21Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;
11Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.